Een ode aan mijn opa

Het schrijversgen heb ik van mijn opa. Er is eigenlijk verder niemand in mijn familie die veel van schrijven houdt, maar mijn opa deed dat wel. Hij dichtte graag, op zijn eigen manier. En verhalen schreef hij ook, volop zelfs. Hij hield veel van zijn stad. Van het leven. Van de  humor. Ik heb mooie herinneringen aan mijn opa – én oma’s. Ik heb in mijn leven mijn beide oma’s gekend, maar, maar één opa. Dus mijn opa was extra speciaal voor mij.

Verhalen schrijven doe ik nu dus ook graag. Geïnspireerd door mijn opa. Ik mis hem ontzettend. Op deze manier hoop ik een stukje van hem te bewaren op mijn blog, wat voor mij ontzettend belangrijk is. Hij had het vast mooi gevonden.

Verhalen van mijn opa

Mijn opa schreef vroeger nog op zo’n oude typemachine, met een inklint waar de toetsen dan tegenaan sloegen. Ik herinner me nog het geluid van die tikken. Gek genoeg vond ik dat geluid altijd rustgevend. Als de regel dan af was, werd handmatig de schuif weer terug gezet naar links. Als de verhalen klaar waren werden ze ingezonden bij de krant – of beschikbaar gesteld voor een groter verhalenboek. Toen de computer al enkele jaren ingeburgerd was, maakte mijn opa de overstap naar een beeldscherm en toetsenbord. En zo ontdekte hij ook het internet. Het mooie daaraan? Dat veel dingen op het internet gewoon bewaard blijven en voor iedereen toegankelijk zijn. Zo kan ik soms zijn verhalen nog terug lezen.


Te vinden op verhalenvandordrecht.nl

Voor en tijdens Wereldoorlog II en zelfs ook nog vrij lang in de (wederopbouw)jaren daarna was’t voor ’n doorsnee arbeidersgezin beslist geen vetpot. Geen florissant beeld derhalve, hoewel de “echte” honger na de wereldoorlog was uitgebannen, werd er vooralsnog door deze mensen echt niet het Angelus gezongen inzake de leefomstandigheden. Temeer omdat de crisis en de oorlogsjaren nog enorm diep in de coulissen van hun herinneringen verankerd lagen. Omdat in die barre tijden schraalhans keukenmeester was en bij velen onder hen “de armoe de trap afliep”. Om deze ellende tijdelijk en heilloos te ontvluchten – werd er door menige radeloze vader naar de fles gegrepen, teneinde die uitzichtloze misères geheel en al te verzuipen.

Hierbij schetst schrijver dezes ’n waargebeurd voorval. Dat ingaat op de mens Auke Klapper. Een kerel met het fysiek van ’n in de bleekwater gevallen “Hulk” voorzien van ’n borst als een ijsbreker. Die in de (toen – nog zeer vervallen buurt) rondom ’t Weeshuisplein woonachtig was. Steen- en cementlosser was hij van beroep (op freelance-basis), wat hij met een ploeg medebuffelaars uitvoerde bij de Bouwmaterialenhandel Luijten aan de Binnen-Kalkhaven. Alwaar onder het credo: “geen gelul.. van dat kan ik niet” de zware materie van onder uit een schip naar de opslagruimte in een grote loods gedragen moest worden.

Dit was geen klus voor doetjes. Figuren als Pieter Stastok, Frederik Fluweel en/of L. Rozenwater konden hieraan beter niet beginnen. Dit was alleen weggelegd voor zeer ruw primair denkende sjouwers, die gewis niet onder enige scrupules gebukt gingen. Volk dat na het zware werk soelaas zocht in de drank en daarmee hun nou niet zo riante levens, enorm egoïstisch draaglijker poogden te maken. Niet wakker liggende van de hierdoor versjteerde omstandigheden waaronder Moeder de Vrouw en het kroost, rond moesten zien te komen. Auke Klapper was de meest notoire drinkebroer onder hen en wilde als ‘ie lazarus was, nogal ‘es een kroeg aan de Riedijk rücksichtslos helemaal verbouwen.

Daardoor werd hij vaak opgebracht naar ’t hoofdbureau van Politie aan de Groenmarkt en ter ontnuchtering in een cel gesmeten. Echter – als ‘ie dan weer bij z’n positieven raakte ging hij zeer vervelend schreeuwen om bier. Dan stapten er enige levensgrote dienders z’n cel binnen, gaven hem een pak slaag met de mededeling: “Hier heb je bier!” Maar na z’n kop eens geschud te hebben, drukte Auke op de bel – waarop die agenten weer met de pest in naar binnen stapten. Doch toen van Auke’s kant met ’n schreeuw toegediend kregen: “Zo jongens, hier hebben jullie de lege flessen weer lekker terug!”

Bob Kattemölle

Te vinden op verhalenbank.nl

Nelis: ‘Ik had vroeger een buurvrouw met een hele rits jong, dat mens hoefde kennelijk maar met een natte dweil op d’r kont geslagen te worden, of ze was drachtig. In de buurt werd daarover gesmiespeld: ‘dat mens is nét buslijn 11 – want d’r zit altijd wel volk in!’

Beschrijving
Nelis spreekt over een vrouw die wel van een vrijpartij houdt.

Kobus: ‘Ik hep vroeger ‘es een Teckeltjie gehad, je weet wel, zo’n laag bij de grondse buikschuiver, maarre, dat benne errug moeilijke beessies hoor, om uit te late, die van mijn werd onderweg om de klapscheet verliefd en dan mostie ze eige altijd met zun achterpootjes opkrikke, omdat z’n snikkel dan de straatkeie raakte. Van lieverlee werd die stijve paal van um wel weer een pietsie minder, maarre ondanks dátte, mostie thuis tóch ellukke keer weer, helegaar achteruit de trap op!

Beschrijving
Kobus spreekt over zijn teckel, die problemen heeft met zijn geslachtsorgaan.


Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.